Archive for the ‘ Boeken ’ Category

waterstaatdienst 1798-1849

Uit het boek; ,Om de macht over het water’;

De nationale waterstaatsdienst tussen staat en samenleving 1798-1849. Schrijver: Toon Bosch.
……waarin een beroep vaak van vader op zoon werd overgedragen, als de achttiende-eeuwse praktijk van coöptatie waarin posities in het openbaar bestuur generaties lang binnen dezelfde families bleven, slaagden deze waterstaters erin broers en neven bij de dienst onder dak te brengen. Na 1813 voegden de families Goudriaan en Conrad zich in deze rij. De drie zonen uit deze laatste familie hadden hun plaats bij de waterstaatdienst indirect aan hun vader te danken. Na het overlijden van F.W. Conrad senior in 1808 besloot Lodewijk Napoleon uit dankbaarheid jegens zijn verdiensten voor het vaderland de jongens op staatskosten voor de waterstaat-dienst op te leiden. Twent van Raaphorst, die kort daarop de eerste minister van Waterstaat zou worden, trad als soort voogd op voor de kinderen van Conrad. De weduwe Conrad diende als uitvloeisel van deze bepalingen in de nabijheid van ‘de bureaux van den waterstaat’ woonachtig te zijn. Deze toezegging werd door keizer Napoleon persoonlijk bevestigd. De gebroeders Conrad zouden het in hun gestelde vertrouwen niet beschamen. In de negentiende eeuw bekleedden zij de hoogste posities binnen de waterstaats-dienst en genoten veel maatschappelijk aanzien. Dynastievorming was geen typisch kenmerk van de Nederlandse waterstaatsdienst. Ook binnen het Franse Corps des Ponts et Chaussées slaagde een aantal families erin generaties lang dezelfde posities te reserveren voor hun naaste verwanten. Zoals we elders beschreven trachtte Napoleon door speciale maatregelen en een reorganisatie (tevergeefs) paal en perk aan deze praktijk te stellen.  blz.85

De geschiedenis van de vier ingenieurs Conrad beschreven door Ir. Johan Christoffel Ramaer.
 CONRAD Frederik Willem (1), geb. te Delft 23 Dec. 1769, overl. te Halfweg 6 Febr. 1808, was de zoon van M.E. Conrad en A.J. Smits. Zij waren onbemiddeld; zijn vader stierf in 1775, zijne moeder in 1779, zoodat hij op den leeftijd van 9 jaren ouderloos was. Hij werd met eene zuster en een jongeren broeder in het burgerweeshuis te Delft opgenomen en daarna in de fundatie der vrouwe van Renswoude. Hij was als leerling bijzonder bedreven in wiskunde, werd in 1787 te Sluis bij de genie te werk gesteld, en hield daar toezicht op sluizenbouw, dijk- en rijswerken. In 1788 slaagde hij in het examen voor adjunct-landmeter bij de rivieren in Holland, en kwam hierdoor te dienen onder den beroemden Brunings (I kol. 498), die al zeer spoedig inzag, welk eene kracht hij in Conrad had verkregen. Hij bekwam ook eene aanstelling in dienst van Rijnland, waarvan Brunings de technicus was en verkreeg als zoodanig Spaarndam als woonplaats. In den aanvang van 1796, toen het vak van den waterstaat evenals alle andere takken van dienst in de Bataafsche Republiek nieuw georganiseerd werd, werd Conrad voor de rivieren onder de onmiddellijke orders van den adjunct-inspecteur-generaal Krayenhoff gesteld. Brunings wist te bewerken, dat Rijnland Conrad in Nov. 1796 tot adjunct-generaal-opziener benoemde. Bij de zoogenaamde 1e organisatie van den waterstaat van 24 Mei 1798, toen Brunings president van den waterstaat werd, werd Conrad aan hem toegevoegd met den rang van commies. Uit dezen tijd dagteekenen groote onder zijne orders uitgevoerde sluis- en dokwerken in het belang der militaire verdediging te Hellevoetsluis, alsmede eene in 1798 uitgegevene kaart van het land van Heusden en Altena. Ook werd Conrad in 1798 tot lid der commissie voor de droogmaking der Nieuwkoopsche en Zevenhovensche Plassen en die tot vervening der Krimpenerwaard benoemd. Bij de 2e organisatie van den waterstaat, waarvan de benoemingen plaats hadden 26 Juli 1800, werd Brunings eerste commissaris-inspecteur, en werd Conrad een der 4 commissarissen-inspecteur in de departementen Amstel (hoofdstad Amsterdam) en Texel (hoofdstad Alkmaar). In 1802 schreef hij eene verhandeling over den Rijnlandschen slaperdijk, een verlaagd dijkvak langs het IJ, dat aan een groot deel van Rijnland schade berokkende, door telkens, somtijds tweemaal in een jaar, te overstroomen. De ophooging ervan was een gevolg van deze verhandeling. Bij de 3e organisatie werden onder den directeurgeneraal (weder Brunings) bij besluit van het Staatsbewind van 14 Oct. 1803 een aantal inspecteurs aangesteld. Conrad werd toen inspecteur van ’s lands zeehavens en zeegaten voor het 2e district, zijnde het Noorder-kwartier van Holland. In 1804 werd aan Conrad het directeurschap van den aanleg eener uitwatering van Rijnland te Katwijk opgedragen. Hij had als onderhoorige ingenieurs A. Blanken Jz. en S. Kros, en dit voor dien tijd moeilijke werk werd met bekwamen spoed uitgevoerd, zoodat het in 1807 gereed was. Het werd 21 Oct. van dat jaar door koning Lodewijk plechtig geopend. Op een steen in den gevel staat vermeld, dat de Rijn [p. 314]dientengevolge weder in zee stroomt, en dit denkbeeld is in de aardrijkskundige werken blijven spoken, totdat A.A. Beekman het in Nederland als polderland heeft aan de kaak gesteld. In 1804 werd Conrad lid van het Bataafsch Genootschap te Rotterdam, in 1805 werd hij lid van het Zeeuwsch Genootschap; eindelijk werd hij in 1806 lid van het Prov. Utrechtsch Genootschap. Toen Brunings op 16 Mei 1805 plotseling overleed, werd Conrad onmiddellijk in zijne plaats tot generaal opziener van Rijnland benoemd, maar het duurde, hoewel hij ook van Rijkswege met de waarneming van Brunings’ dienst belast werd tot 20 Jan. 1807, eer hij ook zijn opvolger in rijksdienst werd. Waarschijnlijk is dit het gevolg van de politieke omstandigheden, waarin Nederland in dezen tijd verkeerde. Conrad verkreeg toen, bij de 5e organisatie, den nieuw geschapen rang van inspecteur-generaal en hij stond dus nu, op den leeftijd van 37 jaren, aan het hoofd van het korps van den waterstaat. Hij, die zoowel van kunstwerken en zeewerken als van bovenrivieren op de praktijk en op den omgang met Brunings gegronde kennis had, zou nog tal van jaren het vaderland diensten hebben kunnen bewijzen. Het heeft niet zoo mogen zijn; een jaar na zijne benoeming tot inspecteur-generaal is hij aan het roodvonk, na een kortstondig ziekbed, overleden. Zijn werk werd verdeeld tusschen twee ambtgenooten. Het is moeilijk, over een man, wiens rapporten weinig meer gelezen worden en van wien op technisch gebied weinig in druk bestaat, een afdoend oordeel te vellen; al wordt hij door zijn levensbeschrijver uitbundig geprezen, het is zeer wel mogelijk, dat van dien lof veel is af te doen. Een brief van hem van 18 Juni 1806, afgedrukt in E. Fokker, Bijdrage tot de geschiedenis der wet van 24 Febr. 1806, in de Bijdragen voor staats-, provinciaal en gemeentebestuur 1886, 43, geeft niet den indruk, dat hij, al zal hij zeer minzaam geweest zijn, een onafhankelijken geest had. Hij is er daarin, misschien door zijne betrekking bij Rijnland hierin opgevoed, te veel op uit, de groote grondeigenaren te believen. Conrad heeft het eerst het denkbeeld geopperd om door de killen van de Biesbosch eene nieuwe rivier te vormen en tevens de Beneden-Merwede af te sluiten (Not. K. Inst. v. Ing. 1867/8, 83 en 197).

Conrad huwde in 1794 Wilhelmina Broestershuizen, die in 1815 overleed en bij wie hij 3 zonen had. Men heeft van hem: Verhandeling over den Rijnlandschen slaperdijk (1792); Rapport nopens de Katwijksche uitwatering (met A. Blanken Jz. en S. Kros). Eene door Conrad in het begin van 1807 ingeleverde levensbeschrijving van Brunings, antwoord op eene prijsvraag, werd met goud bekroond, en is, na verloren te zijn geweest, van rijkswege uitgegeven in 1827. Daarbij is als voorbericht eene lofrede, tevens eenigszins levensbeschrijving van Conrad, door den hoogleeraar J.H. van der Palm, gedrukt.

Zijn portret is gegraveerd door L. Portman, en gelithografeerd door P.W.M. Trap.

 1e zoon CONRAD Jan Willem, geb. te ’s Gravenhage 1 Oct. 1795, overl. te Zwolle 4 Apr. 1853, was de oudste zoon van F.W. Conrad (1) en W. Broesterhuizen (kol. 313). Koning Lodewijk bepaalde 5 Mrt. 1808, na het vroegtijdig afsterven van zijnen vader, dat hij en zijne broeders voor het vak van den waterstaat opgeleid zouden worden. De militaire school te ’s Gravenhage, op welke hij geplaatst werd, werd na de inlijving bij Frankrijk in 1810 opgeheven, en Conrad vertrok, na h.t.l. eerst gewoon onderwijs genoten te hebben, naar Parijs, waar hij de lessen van het Lycée Charlemagne van 1 Febr. 1813 tot 1 Mei 1814 bijwoonde. Vervolgens keerde hij naar Nederland terug, was in 1815 eerst als teekenaar bij den waterstaat te ’s Gravenhage en vervolgens als opzichter aan het Nieuwediep werkzaam. Bij ministerieele beschikking van 11 Nov. 1816 werd hij naar Staats-Vlaanderen verplaatst, bij de werken tot voorziening der Hoofdplaatpolders. Hij werd met 1 Jan. 1817, bij de 7e organisatie van den [p.327]waterstaat, benoemd tot ingenieur 2e klasse, en met 15 Apr. 1817 toegevoegd aan den inspecteur L.A.C. baron van Delen te Bergen in Henegouwen, tot wiens overlijden op 27 Mei 1821 hij onder diens orders bleef dienen. Daarna diende hij nog eenigen tijd onder den hoofdingenieur P.M. Bouesnel te Namen, die tijdelijk met de waarneming van van Delen’s dienst belast werd. Kort daarna werd hij evenwel aan den hoofdingenieur J.B. Vifquain te Brussel toegevoegd, om werkzaam te zijn aan de ontwerpen van een kanaal van Bergen in Henegouwen naar de Schelde. Met 1 Juli 1822 werd hij als provinciaal ingenieur voor Limburg eerst te Tongeren, kort daarna te Maastricht geplaatst. Hij verzocht 28 Mei van dat jaar, onder Vifquain te mogen blijven, maar dit werd niet toegestaan. Vifquain, die blijkbaar zeer met zijne diensten was ingenomen, verzocht in den aanvang van 1823, dat hij hem weder toegevoegd mocht worden, en aan dit verzoek werd in Mrt. 1823 gevolg gegeven, doch nu verzocht Conrad te Maastricht te mogen blijven, omdat hij meende, daar meer praktijk te zullen opdoen dan bij het ontwerpen van een kanaal, waarvan de uitvoering nog lang op zich kon laten wachten. Aan zijn wensch werd voldaan en zoo bleef hij jaren lang te Maastricht. Onder zijn toezicht zijn verscheidene straatwegen zoowel in het latere nederlandsch als in Belgisch Limburg aangelegd, en kwamen eenige werken tot verbetering van de Maas in die provincie tot stand. Ook werden eenige werken van de Zuidwillemsvaart nabij Maastricht onder zijn toezicht uitgevoerd. Na den te Brussel in Aug. 1830 begonnen opstand, die zich spoedig over het meerendeel der zuidelijke provinciën uitbreidde, was het in het begin van Oct. 1830 in Limburg nog rustig, hoewel de ingezetenen hunne sympathie met de opstandelingen niet verheelden. Kort daarna werd ook hier de vaan van het oproer opgestoken, en in het begin van Nov. gingen de opstandelingen zoover, den kanaaldijk van de Zuidwillemsvaart bij Neer-Oeteren door te steken. Conrad werd met de dichting dezer doorbraak belast, en bracht dit 6 Nov. tot een goed einde, doch juist na de voltooiing werd hij overvallen door een troep Belgen, die hem gevankelijk naar Hasselt medenam. Hij slaagde in den nacht van 7 op 8 Nov. te ontsnappen, en keerde te Maastricht, hetwelk door generaal Dibbets voor Nederland behouden werd, terug. Hij bleef nu belast met den zeer beperkten dienst van ingenieur voor Maastricht met den naasten omtrek. Onder Dibbets deed hij ook als hulpofficier van de genie dienst, en nam tevens in dit kleine gebied den dienst van hoofdingenieur waar. Steeds meende hij, dat de vrede wel spoedig geteekend zoude worden. Eindelijk, in 1837, verzocht hij om een meer belangrijken dienstkring, en verkreeg hij dien door zijne plaatsing met 1 Oct. van dat jaar te Zierikzee, waar de eilanden Schouwen en Duiveland tot zijnen dienst behoorden. In zijne plaats werd te Maastricht geen ingenieur benoemd, maar de opzichter A. Knaap belast met de waarneming van den hoofdingenieursen den ingenieurs-dienst. Toen evenwel de vrede met België geteekend werd, werd Conrad, ingaande 1 Juli 1839, zeker met zijne toestemming, te Maastricht belast met de waarneming van den dienst van hoofdingenieur in nederlandsch Limburg. Met ingang van 1 Nov. 1842 werd hij dit definitief. Behalve de aanleg van eenige straatwegen valt in de periode van zijn hoofdingenieurschap [p. 328]die van het kanaal Luik-Maastricht, die van 1847 tot 1850 geschiedde. Ferrand en van der Kun, die in 1849 als inspecteurs waren opgetreden, achtten het zeker verkeerd, dat van de diensten van Conrad, nu ook genoemd kanaal gereed was, in het overigens onbelangrijk geachte Limburg te weinig partij getrokken werd, en hij werd met 1 Mei 1851 te ’s Gravenhage bij den algemeenen dienst geplaatst, en belast met het ontwerpen van een spoorweg tot verbinding van Nederland met België. Voor verschillende richtingen werden onder zijne leiding opnemingen gedaan en plannen gemaakt. Wat de reden is, dat deze plaatsing reeds met 1 Mei 1852 te niet gedaan werd, is onbekend. Toen werd Conrad belast met den gewonen dienst in de provincie Overijsel, waar hij spoedig door eene slepende ziekte aangetast werd, die hem binnen een jaar in het graf bracht. Conrad huwde in 1824 J.L. Lenssen, geb. 1800, overl. 13 Mei 1883, bij wie hij twee zoons (den voorg. en den volg.) en eene dochter had.
 
 2e zoon CONRAD Martinus Hendrik, geb. te Spaarnwoude 25 Jan. 1798, overl. te Arnhem 20 Juni 1854, was de tweede zoon van F.W. Conrad (1) en W. Broestershuizen (kol. 313). Evenals zijne broeders bestemd voor het vak, waarin zijn vader geschitterd had, werd hij bij besluit van den min. v. Waterstaat, O. Repelaer, van 8 Juni 1815 geplaatst als opzichter bij de werken in Zuid-Holland, en bij die van 6 Sept. 1815 als zoodanig bij den aanleg van de haven van Middelburg. Ingevolge de 7e organisatie van den waterstaat werd hij met 1 Jan. 1817 tot aspirant-ingenieur benoemd, en toegevoegd aan den inspecteur-generaal Goudriaan ter standplaats Breda. Hier bleef hij ruim 5 jaren, en was hij met B.H. Goudriaan o.a. werkzaam aan de opnemingen en ontwerpen voor het kanaal Maastricht-’s Hertogenbosch, waarvoor hij in den zomer van 1822 te Helmond geplaatst werd. Met 1 Jan. 1824 tot ingenieur benoemd, werd hem 1 Oct. 1825 ’s Hertogenbosch als standplaats aangewezen. Toen de Zuidwillemsvaart gereed was, werd zijn chef, B.H. Goudriaan, met 1 Nov. 1828 verplaatst, doch Conrad bleef nog tot 1 Apr. 1829 te ’s Hertogenbosch, en werd toen te Brugge geplaatst als provinciaal ingenieur. In Oct. 1830 moest hij voor den opstand wijken, hij kwam toen te ’s Gravenhage weder onder de orders van bovengenoemden Goudriaan, bij den algemeenen dienst, alwaar hij zich hoofdzakelijk bezig hield met de triangulatiën, opmetingen en peilingen ten behoeve van de vervaardiging der rivierkaart. Met 1 Oct. 1834 werd hij als arrondissementsingenieur te Arnhem geplaatst. Hier was zijn dienstkring zeer uitgebreid; het arrondissement Zutphen bestond nog niet (wel was er voor de [p. 329]weinige provinciale werken van Gelderland een ingenieur te Zutphen). Ook buiten zijnen dienstkring werd Conrad gedurende zijne 14 jaren arrondissementsdienst te Arnhem dikwijls om advies gevraagd. In 1844 gaf hij met H.F. Fijnje en F.W. Conrad een advies over de voorziening van Amsterdam van drinkwater, in 1846 was hij eerstgenoemden ingenieur behulpzaam bij het beoordeelen der plannen van Beszedes ter verbinding van Donau en Theiss, in 1849 was hij weder met Fijnje in commissie voor een onderzoek over de verbetering van den waterstaat in de Bommelerwaard. Met ingang van 1 Apr. 1849 werd Conrad hoofdingenieur; hij bleef ter standplaats Arnhem en werd met de provincie Gelderland belast. Als zoodanig heeft hij met Fransche en Duitsche ingenieurs den Rijn bevaren, en het is mede aan zijn goed inzicht op dit gebied toe te schrijven, dat de verbetering van den Rijn en zijne takken door de verschillende staten op energieke wijze is aangevat. Als hoofdingenieur heeft Conrad een ontwerp gemaakt voor spoorweglijnen van Harlingen naar Groningen en van Leeuwarden naar Meppel. Conrad heeft nimmer iets in het licht gegeven, doch had den naam, zeer bekwaam te zijn. Hij had het origineele van velen zijner familieleden. Hij huwde 22 Sept. 1825 jkvr. P.J.J. de Jong van Beek en Donk, die 16 Nov. 1843 overleed en bij wie hij 3 zonen en 3 dochters had.

  3e zoon CONRAD Frederik Willem (2), geb. te Spaarnwoude (de standplaats zijns vaders was Spaarndam, doch diens woning stond onder de gemeente Spaarnwoude, zoodat dit zijne geboorteplaats is) [p. 315]15 Febr. 1800, overl. te München 1 Febr. 1870 (in de levensbeschrijving door Fijnje, blz. 210, staat verkeerdelijk 1869), zoon van den voorg. en W. Broestershuizen. Hij werd in 1814 cadet van den waterstaat aan de artillerie- en genieschool te Delft, en tegen het einde van 1816 door den directeur dier inrichting voorgedragen om tot aspirant-ingenieur te worden benoemd. Hij deed, toen dit voorstel niet gevolgd werd, eenigen tijd dienst als leeraar in de wiskunde aan genoemde school, en werd met 1 Oct. 1817 tot aspirantingenieur benoemd. Hij werd onder de onmiddellijke orders van den inspecteur-generaal Blanken (I kol. 357) gesteld, en wel eerst aan den aanleg van het Noordhollandsch Kanaal, daarna aan dien van het Kanaal van Steenenhoek, vervolgens bij de Lingewerken en eindelijk bij de voorbereiding en den aanleg van het Zederikkanaal. In 1822 bouwde hij een dok te Hellevoetsluis, en in 1823 werd hij met de ingenieurs Boerrigter en van Loon belast met eene opneming en peiling der benedenrivieren en van de killen in de Biesbosch. Hiervan heeft hij eene zeer luimige beschrijving in verzen, geïllustreerd door van Loon, gemaakt, die door zijn neef J.F.W. Conrad als een schat bewaard werd. In 1824 werd hij, weder onder Blanken, met den aanleg van een deel van het Zederikkanaal belast, waaronder behoorde de bouw van het stoomgemaal aan den Arkelschen dam, wel een bewijs hoeveel vertrouwen Blanken in zijn kunde en ijver stelde. 1 Oct. 1825 tot ingenieur 2e klasse benoemd, werd hem tegelijk een vaste dienst opgedragen, en wel die van provinciaal ingenieur in Noord-Brabant. Zijne plaatsing aldaar ging buiten zijn chef om, en het was de inspecteur-generaal Goudriaan, toenmaals tevens administrateur, die gemeend had, zijn ambtgenoot hiermede en met verscheidene andere verplaatsingen onaangenaam te zijn. Blanken protesteerde en het gevolg was, dat aan Conrad opgedragen werd, van uit ’s Hertogenbosch het gemaal te Arkel af te maken. De betrekking van provinciaal ingenieur had in dien tijd een geheel ander karakter dan tegenwoordig. Het toezicht op de waterschappen was, behalve in Zeeland, van weinig beteekenis, daarentegen was de bouw van kerken, in het bijzonder in Noord-Brabant, aan den provincialen waterstaat opgedragen. Ook ontwierp Conrad gedurende dezen diensttijd eene verbeterde uitwatering van de Maaspolders tusschen Grave en ’s Hertogenbosch. In 1828 werd een door hem geschreven antwoord op eene door de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem uitgeschreven prijsvraag over de middelen om de doorkwelling van de dijken langs onze hoofdrivieren tegen te gaan, met goud bekroond. In 1829 werd deze verhandeling uitgegeven onder den titel: Over de verzakkingen aan de dijken der hoofdrivieren. Met 1 Oct. 1829 werd Conrad naar Rotterdam verplaatst, waar hij met den provincialen dienst in Zuid-Holland belast werd. Ook dit werd toenmaals als een hoogst belangrijke dienst beschouwd, er behoorden de ingevolge het kon. besluit van 17 Dec. 1819 aan de provincie overgedragen zeewerken op Goedereede toe, terwijl aan den rijkswaterstaat ten gevolge van het kon. besluit van 12 Aug. 1828 een aantal belangrijke rijkswerken ontnomen en aan het Amortisatie-syndicaat in beheer en onderhoud gegeven waren. Daar Conrad bij den provincialen dienst, die zijne werken behield, diende, kon hij de zaak luimig opvatten, zooals blijkt uit een gedicht, door Fijnje medegedeeld (Not. K. Inst. v. Ing. 1869/70, 153). Conrad had in Zuid-Holland niet zooveel arbeid [p. 316]als hij in Noord-Brabant gehad had, daar hier minder kerken gebouwd werden. Hij had in laatstgenoemde provincie en onder Blanken hard werken geleerd, en dit is mede de reden, dat uit den tijd van zijn verblijf te Rotterdam, en verder in denzelfden dienst te ’s Gravenhage, waarheen hij met 1 Jan. 1835 verplaatst werd, een aantal geschriften van hem dagteekenen. Sommige daarvan zijn in 1849 onder den titel Verspreide Bijdragen verzameld. De andere worden opgenoemd door Fijnje (Not. Kon. Inst. v. Ing. 1869/70, 165). Als men bedenkt, dat er geen ander ingenieur in dien tijd was, van wien een groot aantal brochures en verhandelingen gedrukt werden, dan Blanken en Conrad, dan kan men hieruit afleiden, dat Conrad zijne ambtgenooten ver vooruit was. Merkwaardig is het door Fijnje (bl. 165,6) vermelde groote aantal dichtstukjes, recensies en andere geschriften, te Rotterdam van 1830 tot 1832 ontstaan. Diegene onder de geschriften, welke in zijne Verspreide Bijdragen verzameld zijn, zijn alle de moeite waard om te lezen, verscheidene hebben op de geschiedenis van den nederlandschen waterstaat betrekking en geven blijk van zeer helder inzicht. In 1832 werd Conrad lid, in 1863 lid-consultaat van het Bataafsch Genootschap te Rotterdam, in 1850 lid van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap. In 1838 waren de werken van den Hollandschen Spoorweg Amsterdam-Haarlem in vollen gang, toen er oneenigheid ontstond tusschen de directie van dien spoorweg en haren ingenieur W.C. Brade. Het gevolg hiervan was, dat de tusschenkomst der regeering werd ingeroepen en deze 8 Febr. 1839 aan Conrad vergunde om de maatschappij bij te staan. Zoo werd hij spoorwegingenieur, doch met 1 Dec. 1839 werd zijne werkzaamheid in eene andere richting geleid, daar hij toen aangewezen werd als een der beide ingenieurs, onder den hoofdingenieur van Zuid-Holland belast met de droogmaking van het Haarlemmermeer. Hierbij bleef hij evenwel slechts kort werkzaam, want de Hollandsche Spoorwegmaatschappij was zoo tevreden over Conrad’s diensten, dat zij hem in 1840 benoemde tot haren ingenieur-directeur, waartoe hem met ingang van 1 Oct. 1840 onbepaald verlof uit ’s rijks dienst verleend werd. Hij heeft bij dezen aanleg gelegenheid gehad, zijne groote gaven te toonen, hij is de ontwerper van draaibruggen, die zeer goed voldaan hebben en niet duur waren, van kraanbruggen, eene vinding van hem, die het voordeel hadden, dat de spoorstaaf vrij laag boven het water kon zijn, en van rol- en vijzelbruggen, waarbij een stelsel om de palen onder water af te zagen, werd toegepast. Ook bouwde hij een houten traliebrug te Vogelenzang, met 36 M. overspanning, gevolgd naar amerikaansche bruggen van die soort. In 1842 kon de lijn tusschen Haarlem en Leiden bereden worden, in 1843 kwam zij tot ’s Gravenhage gereed. Hij ontving in 1842 voor eene beschrijving van het katwijksche kanaal de zilveren Telfordmedaille en werd in 1843 lid van de engelsche lnstitution of civil Engineers. In laatstgenoemd jaar werd hij lid van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem. Voor eene beschrijving van den spoorweg Amsterdam-Rotterdam ontving hij in 1844 de Walker-premie. Zeer veel last heeft Conrad gehad van de toenmalige gebrekkige onteigeningswet van 19 Mei 1841, die slechts weinig verbetering in die van 8 Maart 1810 gebracht had. [p. 317]In 1845 werd Conrad benoemd tot ’s konings commissaris bij, d.i. dus rijks toezichthoudende op de Hollandsche Spoorwegmaatschappij, voorzeker eene zonderlinge benoeming, gevolg van de vriendschap van Conrad’s tijdgenoot van de delftsche academie, den minister Schimmelpenninck van der Oye. Een tweede bewijs van vriendschap gaf deze hem in hetzelfde jaar, door hem te herstellen in zijne rechten van ancienniteit, hem bij het verleenen van zijn verlof in 1840 ontnomen. Dientengevolge werd hij tegelijk met den ingenieur Greve, die in de ranglijst op hem volgde, met 1 Mei 1852 hoofdingenieur, hoewel zijn verlof gehandhaafd bleef. Toen Conrad tot lid van de engelsche Institution benoemd was, kwam al spoedig bij hem de wensch op, eene dergelijke inrichting in ons vaderland te stichten. Op 24 Mei 1847 richtte hij met van der Kun en Simons tot de nederlandsche ingenieurs eene oproeping tot oprichting, en daaraan gaven 82 hunner in hetzelfde jaar gehoor. Deze instelling, die zich in de sympathie van den kroonprins, later koning Willem III verheugen mocht, is sedert de plaats geweest, waar alle belangrijke onderwerpen op ingenieursgebied behandeld werden, zoodat de werken van het Instituut een onschatbare bron van gegevens op dit gebied geworden zijn. Conrad was president van 1848 tot Juni 1860, toen hij wegens andere drukke werkzaamheden niettegenstaande herhaalden aandrang deze betrekking nederlegde; hij werd in de vergadering van 10 Juni 1858 met de beide andere oprichters tot bestuurslid voor het leven benoemd, terwijl hij van Juni 1866 tot zijn overlijden weder president was. In 1847 werd Conrad president der eerste telegraafmaatschappij in ons land. Hij legde de telegraaflijn Amsterdam-Nieuwediep aan, die in 1851 gereed kwam. Van 16 Apr. 1852 tot 1 Jan. 1854 was hij lid eener commissie, die van rijkswege het vraagstuk der telegrafie had te behandelen. 13 Apr. 1853 werd Conrad in het kiesdistrict ’s Gravenhage tot lid der Provinciale Staten van Zuid-Holland gekozen. Conrad bleef lid der Staten tot zijne benoeming tot inspecteur hem er toe bracht, als zoodanig zijn ontslag te nemen; hij deed dit bij brief van 15 Apr. 1858. In Apr. 1847 was Conrad, terwijl toen van der Kun en Storm Buysing lid van het Kon. Ned. Instituut werden, correspondent dier instelling geworden. Bij den overgang van het Inst. in de Koninklijke Academie van Wetenschappen in 1851 werd Conrad daarvan buitengewoon lid. Toen bij kon. besl. van 23 Feb. 1855 het verschil tusschen leden en buitengewone leden der academie werd opgeheven, werd Conrad tegelijk tot lid der academie benoemd. Hij heeft in dat lichaam eenige voordrachten over het Suezkanaal gehouden. Van 1847 tot 1865 bracht hij in de Academie met den beroemden Delprat 6 verslagen over de verzakking van een kaaimuur te Nijmegen uit. De verzakking ter plaatse van den fellen aanval der rivier hield op, toen bovenwaarts eenige jaren later een stelsel kribben werd uitgebracht, die den aanval van den stroom afkeerden; men vraagt zich dus af, of het wel noodig geweest ware, hierover zooveel vol te schrijven. Bovendien heeft hij in genoemd lichaam in 1860 eene mededeeling gedaan over eene verzinking van een havenhoofd aan het IJ, in 1865 eene over de Nieuwe Merwede, en was hij sedert 1860 lid eener commissie tot behoud van overblijfselen van oude kunst. Met ingang van 1 Apr. 1858 kwam Conrad, na ruim 18 jaren aan de Hollandsche Spoorweg- maatschappij verbonden geweest te zijn, weder in rijksdienst, en werd hij tegelijk tot inspecteur benoemd en belast met de 2e inspectie, tot welke de provinciën Utrecht, Noord- en Zuid-Holland en Zeeland behoorden. [p. 318] Hij woonde des zomers op de door zijne echtgenoote van den vroegeren rentmeester haars vaders, C.J. Cornel, geërfde buitenplaats de Wiers bij Vreeswijk. Hij was bovendien nog steeds voorzitter en lid van tal van commissiën, maar aan den rijksdienst deed hij weinig. Intusschen, in andere opzichten was hij nog zeer verdienstelijk. In de eerste plaats betrekkelijk de doorsnijding der landengte van Suez. Reeds in 1855 was hij door den onderkoning van Egypte benoemd in eene internationale commissie van ingenieurs, ten einde de beginselen, naar welke het kanaal zou worden aangelegd, vast te stellen. In den winter 1855-56 deed hij eene reis derwaarts, en werd toen door zijne medeleden tot president gekozen, wat hij tot zijn dood gebleven is. Onder de redenen, die Fijnje (Notulen K. Inst. v. Ing. 1869/70, 197) daarvoor opgeeft, is het waarschijnlijk vooral zijn groote talenkennis geweest, die hem deze verkiezing deelachtig deed worden; er waren in de commissie toch een aantal leden, die belangrijker werken hadden uitgevoerd en wetenschappelijk hooger stonden. In den winter 1856-57 deed Conrad weder eene reis naar Egypte, vergezeld door den ingenieur Schneitter. In 1856 werd hij lid eener commissie tot het nagaan van de gevolgen der doorgraving voor onzen handel, en op 1 Sept. 1857 hield hij in het K. Inst. v. Ing. eene voordracht over het Suezkanaal, waarin hij den chauvinistischen tegenstand van R. Stephenson op goede gronden bestreed. De onderkoning van Egypte benoemde Conrad in 1858 tot zijn vertegenwoordiger bij de Suezkanaalmaatschappij. In 1865 verkreeg hij als zoodanig zijn ontslag. De ingenomenheid van Ferdinand de Lesseps, den president dier maatschappij, met Conrad was zeer groot. In hetzelfde jaar 1858, waarin hij inspecteur werd, werd Conrad in vier belangrijke commissiën benoemd: hij werd president van den raad van den waterstaat voor de doorgraving van Holland op zijn Smalst, lid van dien voor den Rotterdamschen Waterweg, lid eener commissie omtrent eene zeehaven voor Scheveningen, en lid eener commissie omtrent droogmaking van plassen beoosten de utrechtsche Vecht, waarvan hij in 1859 president werd. In de eerstgenoemde commissie was Conrad door zijne autoriteit een der hoofdpersonen. De voorstellen, die deze commissie deed, kenmerkten zich door de afwezigheid van een zeebreker buiten de hoofden, die in Frankrijk en Engeland veel toegepast werd, doch die met het oog op het binnenvaren reeds in 1853 door Greve was afgekeurd. Een tweede zeer belangrijk advies dezer commissie is, dat zij het geven eener concessie voor aanleg van het Noordzeekanaal, ongeveer zooals het gemaakt is, voorstelde, dus tegen de meening van velen, waaronder het lid der commissie, de delftsche hoogleeraar Storm Buysing, die van oordeel was, dat het beter was, het Noordhollandsch Kanaal te verbeteren. In Febr. 1862 schreef de civiel-ingenieur A. Huet aan den toen juist opgetreden minister van Binnenlandsche Zaken Thorbecke, dat het eigenlijke hoofdpunt in zake de verbinding van Amsterdam met de zee door Holland op zijn Smalst niet genoegzaam was onderzocht. Terwijl hij in eene brochure zijne denkbeelden hieromtrent uiteengezet had, lokte Huet in de vergaderingen [p. 319]van het Kon. Instituut van Ingenieurs van 11 Febr. en 12 Juni 1862 eene bespreking van het ontworpen kanaal uit, waartegen speciaal Storm Buysing, lid der commissie, bezwaar bleek te hebben wegens de koppeling van den kanaalaanleg met de landaanwinning in het IJ. In de vergadering van 11 Nov. 1862 trad Conrad tegen Huet op, en bestreed zijn denkbeeld vrij kort. Hij is daarvoor door Huet vele malen hartstochtelijk aangevallen. In de vraag van den Rotterdamschen Waterweg is het niet waarschijnlijk, dat Conrad veel invloed heeft uitgeoefend. Het was de voorzitter Fijnje, die het denkbeeld der open doorgraving van Caland er door heeft weten te krijgen. Het aantal commissiën, in welke Conrad sedert zijne benoeming tot inspecteur benoemd werd, is zeer groot. Hij was zeer geschikt om als voorzitter te fungeeren, doch zijne werkzaamheid als lid was niet van veel beteekenis. Hij werd in 1860 voorzitter der commissie voor oeververdediging in Zeeland. Deze commissie, waarin vooral P. Caland, Dirks en J.F.W. Conrad een werkzaam aandeel hadden, bracht in 1861 een uitstekend rapport uit. Hij werkte met den hoofdinspecteur van der Kun en den inspecteur Fijnje mede tot de samenstelling van het bekende verslag, uitgebracht 27 Sept. 1861, over de rivierverbetering, hetwelk zich waardig aansluit aan dat van Ferrand en van der Kun van 18 Febr. 1850 en waaraan eene bijlage, een zeer uitvoerig historisch overzicht der overstroomingen bevattende, is toegevoegd. Men kan er verzekerd van zijn, dat een en ander grootendeels het werk van van der Kun en Fijnje is. In 1863 werd hem een onderzoek naar de beste richting van een Noordzee-Oostzeekanaal opgedragen. In 1864 bracht hij hierover rapport uit. In 1864 werd Conrad voorzitter eener jury ter beoordeeling van ontwerpen voor een paleis voor de vergaderingen der Staten-Generaal. In 1864 werd hij lid eener commissie, van wege de vrije stad Hamburg benoemd over de watervrijmaking van hare voorstad Hammerbrock. Toen van der Kun 26 Jan. 1864 plotseling overleden was, werd aan Conrad bij zijne inspectie bij kon. besluit van 1 Febr. d.a.v. de algemeene dienst van den waterstaat opgedragen. De betrekking van hoofdinspecteur werd evenwel onvervuld gelaten. Hoogstwaarschijnlijk is dit een gevolg daarvan, dat de minister Thorbecke Conrad niet welwillend gezind was, en dit moet worden toegeschreven aan Conrad’s vriendschap met Simons, den medeoprichter van het Kon. Inst. v. Ingenieurs. Dat Thorbecke nooit eerelid van dit lichaam is geworden, terwijl hij toch bijzonder bekwaam op waterstaatsgebied was, den eersten stoot aan de verbetering der rivieren gegeven, de onteigeningswet tot stand gebracht heeft enz., en terwijl b.v. van Reenen en Heemskerk, kort nadat zij minister van Binnenlandsche zaken werden, dit eerelidmaatschap verkregen, was onbillijk, evenzeer als het onbillijk was om Conrad geen hoofdinspecteur te maken. Een voorwendsel was, dat Fijnje dan gepasseerd zou moeten worden, maar deze was reeds 67 jaren en zou daarvoor van Arnhem naar ’s Gravenhage hebben moeten verhuizen. Geertsema, de opvolger van Thorbecke, vond de goede oplossing, door Fijnje den titel van hoofdinspecteur te verleenen, en Conrad het hoofdinspecteurschap, waartoe hij met 1 Mei 1866 benoemd werd, met den algemeenen dienst op te dragen, terwijl hij van zijne inspectie ontheven werd. Als hoofdinspecteur heeft hij nog verdienstelijk werk geleverd over de afdamming der Ooster- Schelde, die door belgische deskundigen op magere gronden bestreden werd. [p. 320] In 1866 werd hij voorzitter van den raad van den waterstaat tot onderzoek der plannen van Beijerinck voor de droogmaking van het zuidelijk deel der Zuiderzee. In 1868 deed hij met zijn neef J.F.W. Conrad en zijn schoonzoon jhr. W. van de Poll eene reis naar Denemarken tot onderzoek van plannen voor eene haven op de westkust van Jutland en een kanaal tot verbinding van den Liimfjord en de Noordzee. In Oct. 1869 vertrok Conrad naar Egypte, waar in Dec. van dat jaar de plechtige opening van het Suez-kanaal plaats had in tegenwoordigheid o.a. van keizerin Eugénie; hij werd daar zeer gevierd. Op zijne terugreis overleed hij nog vrij onverwacht te München, in een hotel. Op 5 Oct. 1825 is hij gehuwd met Jacqueline Maria Braber, die juist 8 jaren na hem, 1 Febr. 1878, overleed en bij wie hij 9 kinderen had, waarvan 3 jong stierven. Van de overigen was een zoon F.W. Conrad, geboren in 1832, in Oost-Indië overleden in 1861, en 5 dochters, waarvan 4 gehuwd respectievelijk met mr. T. van Dam van Isselt, jhr. W. van de Poll, jhr. A. van de Poll en H.J. Rauws.

Hij legateerde aan zijne stichting, het K. Inst. v. Ing., uit erkentelijkheid voor het besluit, dat de namen der drie stichters steeds boven aan de ledenlijst vermeld zouden worden, eene som van ƒ 500, waaruit eens in de 5 jaren eene Conrad’s premie aan dengene, die de beste verhandeling geschreven of de nuttigste vinding op ingenieursgebied gedaan zou hebben, uitgekeerd moest worden. Conrad’s groote vlugheid leidde wel eens tot vluchtigheid. Hij heeft gedurende een deel van zijn leven, tot omstreeks 1850, veel met geldelijke zorgen te kampen gehad; dit eindigde toen zijne vrouw de Wiers erfde; er werd kort daarna een groot complex daartoe behoorende landerijen verkocht. Conrad’s belangrijkste werken zijn: Over de middelen tot het tegengaan van doorkwelling door dijken (Natuurk. verh. Holl. mij. der wet., 1829); Verspreide Bijdragen, geschreven van 1830 tot 1838, gezamenlijk uitgegeven (’s Grav. en Amst. 1849); Memorie over het al of niet voordeelige voor Delfland van eene uitwatering te ’s Gravenhage (’s Grav. en Amst. 1847); Reizen naar de landengte van Suez, Egypte, het Heilige Land (’s Grav. 1859); Considérations sur les rapports des ingénieurs étrangers sur le barrage de l’ Escaut Oriental (Not. K. Inst. v. Ing. 1867/8).

Zijn portret is gelithografeerd door J.P. Berghaus, J.H. Hoffmeister en J. Veth.
Eene uitstekende levensbeschrijving van Conrad met portret, van J.G.W. Fijnje, in Not. K. Inst. v. Ing. 1869/70, 125; ook komt eene levensbeschrijving met portret voor in Mannen van beteekenis, afl. 20 (Haarl. 1872).
Nieuw Nederlandsch biografisch woordenboek, Deel 2
redactie P.C. Molhuysen en P.J. Blok